Kweekverslag · Sinds 1998
Grijze Roodstaarten
Persoonlijke ervaring met Psittacus erithacus — mijn eerste koppel, de eerste ringronde en wat ik onderweg heb geleerd over huisvesting en handopfok.

Het eerste koppel
In 1998 ben ik met een beetje geluk aan mijn eerste koppel Grijze Roodstaart papegaaien gekomen. Een kennis vertelde dat het koppel te koop was en de prijs stond mij wel aan, dus heb ik ze gekocht.
Het lukte mij eigenlijk meteen om ermee te kweken. Ze hadden binnen gezeten en na een maand bij mij buiten lag er al een ei — helaas kapot onder de zitstok. Maar daarna legde de pop nog drie eieren in het broedblok, en die waren gelukkig heel. Alle drie bleken later bevrucht en kwamen na 30 dagen om beurten uit. Een prachtig gezicht, die drie donzige vogeltjes.
Ringen en opgroeien
Het ringen — waar ik een beetje bang voor was — ging goed. Je weet met papegaaien nooit of ze de ringen accepteren. De jongen werden door beide ouders goed gevoerd en groeiden mooi op.
Totdat ze een week of drie oud waren: toen werd de jongste plots niet meer gevoerd. Dus dan maar zelf verder voeren. Nu is dat geen enkel probleem meer, maar toen zat ik er wel mee: wat moeten ze eten, hoe vaak, moet ik er 's nachts uit, waar zetten we ze in, hoe warm…
De week daarna kreeg ook het tweede jong bijna niets meer, dus die er ook maar uitgehaald voor handopfok. De pop wilde er maar één grootbrengen en liet de rest in de steek. Alle drie zijn ze goed groot en zelfstandig geworden en heb ik later een goed huis voor gezocht en gevonden.
Een gelukkig tweede koppel
Met het tweede koppel dat ik aanschafte had ik ook direct veel geluk. De eerste ronde twee jongen gekweekt — waarvan ik er zelf één heb aangehouden. De tweede ronde volgde snel, met opnieuw drie jongen.
Wat mij bij beide koppels opviel: zet ze in een andere omgeving of ren, en ze gaan eerder over tot kweken. Alles is dan nieuw — omgeving, verzorging, voer, licht, warmte en lucht.
Wat ik erover geleerd heb
Het is natuurlijk niet altijd zo dat je zoveel geluk hebt in de vogelsport — maar met mijn Grijze Roodstaarten had ik dat wel. Er komt echt wat bij kijken: goede verzorging is de eerste vereiste, dan ervaring en veel vragen bij andere kwekers.
En veel geduld. Dat maakt de hobby ook zo leuk. Als alles gemakkelijk ging en je elk jaar veel jongen kweekt, was er ook niet zo veel aan. Het moet een uitdaging zijn — ook met de moeilijker soorten. En als dat dan lukt, heb je een voldaan gevoel en weet je dat je het goed doet.
— Martien Strijdveen
